I

I staat I verkeert I bevindt zich I staat overeind I leunt I ligt I hangt I manifesteert I brengt aan het licht I maakt bekend I openbaart I reveleert I toont I uit I betekent I representeert I vertegenwoordigt I symboliseert I staat voor I beeld uit I verbeeldt I geeft weer I verschijnt I treedt tevoorschijn I duikt op I doet zich voor I presenteert I biedt zich aan I reikt aan I kondigt zich aan I stelt zich tentoon I demonstreert I etaleert I showt I spreidt tentoon I haalt tevoorschijn I tovert I stalt uit I vertoont I breekt door I dringt door I rukt op I dekt toe I dekt I bedekt I beschut I maskeert I verhult I verdwijnt I verbergt I verdoezelt I camoufleert I imiteert I bootst na I doet na I volgt I loopt mee I gaat mee I geeft richting I richt I stuurt I wendt I zet koers bij I balanceert I helpt I steunt I staat bij I support I werkt mee I helpt mee I souteneert I ondersteunt I begeleidt I beschermt I bevordert I assisteert I draagt I geeft rugsteun I positioneert I plaatst zich I brengt aan I deponeert I past in I installeert I legt I zet zich neer I stelt zich op I plant I posteert I schikt I stationeert I steekt I stelt I stopt I situeert I bepaalt I stelt vast I zet I markeert I geeft aan I toont aan I wijst aan I bakent af I laat zien I merkt I kenmerkt I exposeert I ontvouwt I reageert I anticipeert I verwacht I voorkomt I kijkt vooruit I loopt vooruit I voorziet I licht toe I legt uit I verduidelijkt I verheldert I vertelt I zet uiteen I expliciteert I verkondigd I leert I draagt uit I drukt uit I activeert I zet aan I doet aan I schakelt in I brengt op gang I zwengelt aan I moedigt aan I port aan I wakkert aan I hitst op I roept op I zweept op I ruit op I stookt op I zet op I evoceert I ontlokt I stimuleert I wekt I bemoedigt I beweegt I drijft I geeft in I inspireert I bevordert I bezielt I pusht I nodigt uit I prikkelt I provoceert I tart I tergt I trotseert I motiveert I voedt I drijft aan I gaat I roert zich I tijgt I trilt I verplaatst I verroert I verschuift I beweegt zich voort I onthaalt I verzoekt I vraagt I spoort aan I wekt op I daagt uit I lokt uit I trekt aan I staat aan I bevalt I boeit I verrukt I bekoort I lokt I verleidt I verrast I verbaast I ontsteld I verwonderd I convoceert I inviteert I vraagt mee I genereert I creëert I maakt I ontwikkelt I brengt op I levert op I produceert I schept I veroorzaakt I verwekt I brengt teweeg I brengt voort I resoneert I herhaalt I repeteert I komt terug I communiceert I bericht I deelt mee I brengt over I grijpt in I bemiddelt I intervenieert I roept aan I biedt I eist I roept in I smeekt I verlangt I vordert I informeert I bevraagt I speelt I dolt I voorspelt I zingt I voert uit I voert op I treedt op I bespeelt I poneert I draagt aan I beweert I postuleert I betoogd I verklaart I legt voor I volhoudt I zegt I ensceneert I zet in elkaar I zet in scène I simuleert I affecteert I doet alsof I fingeert I gebaart I huichelt I liegt I stoot af I wendt af I bezweert I pareert I houdt tegen I verdrijft I schuurt I wrijft I overschrijdt I ontstijgt I overtreedt I overtreft I passeert I infiltreert I manipuleert I bedriegt I begoochelt I intrigeert I misleidt I bekritiseert I censeert I censureert I corrigeert I hekelt I kapittelt I onderhoudt I wijst terecht I veroordeelt I keurt af I wijst af I vervloekt I verwerpt I wraakt I test I beproeft I checkt I controleert I inspecteert I keurt I gaat na I toetst I probeert uit I test uit I onderzoekt I ziet na I peilt I traceert I verbindt I schakelt aaneen I voegt aaneen I hecht aan I sluit aan I associeert I bindt I bundelt I combineert I engageert I hecht I koppelt I bindt samen I bundelt samen I vat samen I voegt samen I schakelt I hecht vast I maakt vast I zet vast I verenigt I voegt I laat het gebeuren I laat het geschieden I laat het optreden I laat het passeren I laat het plaatshebben I laat het plaatsvinden I laat het spelen I laat het vallen I laat het verlopen I laat het voorkomen I laat het voorvallen I laat het zich afspelen I laat het zich voltrekken I laat het zich voordoen I laat het bewegen